Ik heb weinig echt goede reflecties gelezen op de pandemie, op hoe ze in ons leven ingrijpt. Al in de eerste maanden van de crisis verschenen er lange essays van de gebruikelijke theory stars. Ze schreven over lichamen, ziekte, over de dood die nu alom aanwezig is. Dat we moeten léren doodgaan. Ze schreven over het nieuwe normaal, over de grote verandering die ons te wachten staat. Over hoe we ons eindelijk zullen realiseren dat we allemaal aan elkaar verbonden zijn in één groot, breekbaar ecosysteem – we moeten wel! Er was de verwachting van een omwenteling, want dat is wat crisis belooft.

De eerste persoon meervoud keerde terug in het discours: wij, wij. Nu de wereld eindelijk realiseert dat we allemaal aan elkaar verbonden zijn, is het weer mogelijk om over ons te schrijven. Alsof iedereen de situatie op dezelfde manier beleeft. Alsof we er samen voor gaan, in het grote gevecht tegen de plaag.

Nooit had ik het gevoel werkelijk iets te lezen dat het moment herkenbaar beschrijft. Nadat de eerste fase van angst en adrenaline wegzakte, begon de verveling toe te slaan. Elke dag leek op de vorige. Ik was niet in staat om de crisis te ervaren, of om de aanwezigheid van de dood te voelen. Ik zat thuis, bestelde pakjes bij internetbedrijven en voelde me daar schuldig over. Ik gaf de planten water en voelde me eenzaam. Dwong mezelf stukjes te schrijven, terwijl ik eigenlijk niets te vertellen had. Dronk een paar glazen wijn, probeerde de volgende dag te stoppen met drinken, waarna ik toch weer een fles opentrok. Staarde door het raam, zag om tien uur ’s avonds al een vos in de uitgestorven straat.

Waarom is het zo moeilijk om deze tijd te duiden? Waarom werd de crisis maar geen moment, met een voor en een na? Misschien confronteerde de pandemie ons helemaal niet met een nieuwe situatie. Het is eigenlijk het enige antwoord dat ik kan bedenken. Mondkapjes en teststraten zijn weliswaar nieuwe onderdelen van het dagelijks leven geworden, maar zijn dat de ingrediënten van een revolutie?

Het nieuwe heeft niet meer de kracht om nieuw te zijn. Er is te veel nieuwigheid. De crisis is permanent geworden.

Misschien hebben we een ritueel nodig, iets om vorm te geven aan de passage van tijd, om een nieuw moment te markeren. In de jaren tachtig, een belangrijk moment in de geschiedenis, toen de bestaande wij’s werden opgeknipt en ontbonden, was de rave zo’n ritueel. Duizenden mensen dansend in verlaten fabrieken, een doodsritueel voor de industriële samenleving.

Ik schreef er een roman over, waarna ik werd uitgenodigd een schrijfworkshop in Wenen te geven, ‘writing the rave’. In Oostenrijk waren nachtclubs alweer open. Hoe voelt dat, vroeg ik de deelnemers. Iemand vertelde dat het niet zo leuk was. Het voelt niet zoals vroeger. Er is geen wij-gevoel, geen collectieve euforie.

Een andere deelnemer opperde dat we misschien zo lang afstand van elkaar hebben moeten houden – ieder lichaam een potentieel gevaar – dat mensen het verleerd zijn om een wij te zijn.

Niet de pandemie maakt van mensen een wij, maar oefening. Herhaling. Het gaat niet vanzelf, geen crisis gaat ons samenvoegen. We hebben een nieuw ritueel nodig. Maar wie bedoel ik eigenlijk als ik ‘wij’ schrijf?

Ík heb een nieuw ritueel nodig.

 

Gerelateerde artikelen