Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Brief #2

Brief Zará Kars in de serie 'Innig ben ik binnen'

Lieve inhuizige,

Ergens halverwege week twee realiseerde ik het me opeens: de komende tweeënhalve maand raak ik niemand aan. En andersom, niemand raakt mij aan. Nu het gros van de Nederlandse bevolking zich overgeeft aan een collectieve strategie van minimaal anderhalve meter afstand houden, krijgt intimiteit voor mij een nieuwe lading. Sinds de pauze in fysiek contact raast er een rollercoaster waar je u tegen zegt door mijn hoofd. Wat houdt intimiteit nog in wanneer aanraking taboe wordt? Welke vormen van intimiteit zijn er eigenlijk? Maar ook: waarom houdt mij dit zo bezig?

In eerste instantie was ik vooral teleurgesteld dat deze quarantaine mijn vooruitzicht van spannende dates beknotte. Als single vrouw hebben de huidige maatregelen tegen het coronavirus behoorlijke impact. Wat is de lol van daten zonder te kunnen flirten in de kroeg, ’s nachts te tongen op straat en de mogelijkheid van een wilde nacht? Met steelse blikken op afstand kom je niet heel ver. Alleen al het idee dat ik op z’n vroegst in juni weer iemand zal aanraken zorgt voor een benauwd gevoel waarvan ik mij moeilijk kan losmaken. Kan een mens wel zonder aanraking?

De eerste vriendin aan wie ik mijn plotsklaps gloeiend verlangen naar intimiteit toevertrouwde, raadde mij aan een vibrator aan te schaffen en stuurde me meteen een link naar de hare. Hoewel een welkome tip, was dit natuurlijk niet het soort intimiteit waar ik op doelde. In haar essay ‘Liefde in tijden van Corona’ (Hard//Hoofd) omschrijft Carlijn Cober een voor mij herkenbaar gevoel. Zij stelt dat er verschillende vormen van alleen-zijn zijn. Slechts de zelfverkozen vorm voorkomt gevoelens van eenzaamheid. Cober gaat na hoe deze pandemie eenzaamheid nogal pijnlijk benadrukt. Net als Cober benijd ik vrienden in een relatie ineens veel meer, en ben ik jaloers op de arm die zij om elkaar heen kunnen slaan.

Maar in Cobers stuk mis ik diepere reflectie op hoe deze situatie haar precies raakt, mis ik een onverwacht inkijkje in haar persoonlijke belevingswereld. Dat is belangrijk, omdat in de bestaande berichtgeving over physical distancing nog weinig aandacht is voor de effecten op alleenstaanden. Volgens mij zouden we hier wat meer bij stil mogen staan.

Juist nu moeten we beginnen met het tonen van onze kwetsbaarheid, het delen van gedachten en uiteenlopende ervaringen die het thuis-zijn ons oplegt. Mounir Samuel vroeg zich in zijn brief af of deze crisis ons van onze sociale afstand kan redden. Nu het niet langer mogelijk is weg te rennen van onderdrukte twijfels of onbewust verlangen, lijkt de quarantaine van het hart ook op z’n retour. Ik merk dat er nu een verlangen wordt blootgelegd dat al langer sluimerde. En in tegenstelling tot voorheen, kan ik er nu niet meer omheen. Overdag is het gemis van een geliefde wel te rationaliseren, ’s nachts lukt mij dat minder goed. Ik betrap mezelf erop te overwegen liefdesbrieven te schrijven aan oude scharrels, in de hoop op een romantische briefwisseling. Gaat het mij dan kennelijk niet eens zozeer om het gebrek aan puur lichamelijk contact als wel om een algeheel gebrek aan aanraking? En als dat zo is, zou geraakt worden door woorden dan kunnen tellen? Intimiteit is tenslotte zoveel meer dan alleen het fysieke. Intimiteit gaat over de menselijke behoefte iets met een ander te delen. Iets wat je niet met iedereen deelt. Dat kan je lichaam zijn, maar zeker ook je gedachten.

Volgens een tweede vriend was mijn plotselinge drang naar intimiteit makkelijk op te lossen door één op één met mensen af te spreken, uiteraard op gepaste afstand. Hoewel ik zijn advies in eerste instantie in de wind sloeg, kom ik daar steeds meer op terug. Bij nader inzien is het handjevol vrienden dat ik nog wel zie waardevoller dan ooit. Bij gebrek aan de wekelijkse koffie of een biertje in het café ontwaren zich nu wandelvriendschappen. We doorkruisen de stad en ontdekken nieuwe buurten en verscholen pleintjes. Maar ook elkaars gedachten. Van de week las ik dat het niet kunnen lezen van elkaars mimiek tijdens een wandeling bijdraagt aan meer openheid in het gesprek. Wandelen verhindert het zien van potentiële vraagtekens in het gezicht van je gezelschap, je voelt je vrijer om te delen wat je wilt. Naast het bespreken van grappige memes, ons onvermogen de dagen van elkaar te ontcijferen en hoe we onszelf bezighouden (lees: Netflix uitspelen, zuurdesembrood bakken en wijn drinken), dienen zich nieuwe onderwerpen aan. Er is meer plek voor het bespreken van gevoelens, angsten, dromen. We hebben meer geduld voor elkaar.

En toch begint het ook hier te schuren. Nu corona het nieuwe normaal lijkt te worden, vraag ik mij af: wat is de houdbaarheid van deze sociale innigheid als vervanger van fysieke intimiteit?

Over Zará Kars

Zará Kars (1993) is publiekshistoricus en programmamaker, onder andere bij het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) en Rijksmuseum Muiderslot. Speciaal voor deze kettingbrief verruilt zij haar papieren dagboek eenmalig voor een digitale versie.

© Laynamo