M. Vasalis staat te boek als de dichteres die in haar poëzie verslag deed van overrompelende ervaringen, die volgens sommige interpreten in het licht van de mystiek moesten worden bezien. Haar werk zou de neerslag zijn van momenten waarop een ‘ik' inzicht krijgt iets hogers, een transcendente werkelijkheid. Maar wie de bundels van Vasalis doorleest, zal daarin ook veel gedichten aantreffen die zinspelen op de ‘dood van God'. Hoe weet de dichteres haar mystieke inslag met dit nihilisme te rijmen? Gaston Franssen onderwerpt haar oeuvre, en met name de bundel Parken en woestijnen (1940), aan een nader onderzoek in een poging deze paradox te doorgronden.