Je zou kunnen zeggen dat muziek in evolutionair opzicht zinloos is: het stilt onze honger niet, en we leven er geen dag langer door. Muziek lijkt weinig nut te hebben, behalve misschien dat we er plezier aan beleven als we het maken of ernaar luisteren. Althans, dat was de redenering van cognitief psycholoog Steven Pinker die muziek karakteriseerde als ‘auditieve kwarktaart': een smaakvol extraatje, maar evolutionair gezien op z'n best een bijproduct van taal. Het is een standpunt dat menig muziekliefhebber en muziekwetenschapper eind jaren negentig flink op stang joeg. Pinker zette taal af tegen muziek, waarbij taal stond voor een evolutionair relevante, en muziek voor een evolutionair irrelevante menselijke eigenschap.
Klopt dat? Zijn er echt geen argumenten aan te voeren dat muziek een beslissende rol heeft gespeeld in de evolutionaire ontwikkeling van de mens? Is muziek niet eerder een ‘adaptatie', een aanpassing, die bijgedragen heeft aan het overleven van de mens als groep? Of is ze toch, zoals Pinker stelt, niet meer dan een prettige bijwerking van belangrijker functies zoals spraak en taal?
Een gesprek hierover met Henkjan Honing, Annemie Ploeger en Machiel Keestra, onder leiding van Jaap van Heerden.