In de decennia rond 1800, de tijd van revolutie en romantiek, werd niet alleen de politieke besluitvorming, maar ook het verleden een kwestie van openbaar belang en collectieve deelname. Sociale cohesie werd steeds meer in termen van een gezamenlijke geschiedenis gezien, en de gemeenschappelijke identiteit werd verklaard uit zaken als afstamming, culturele wortels en tradities. Terwijl regeringsvormen en landsgrenzen ter discussie stonden, bood geschiedenis een houvast. Geschiedenis als schoolvak, als thema voor "nationale" musea; taalbeleid, monumentenzorg, de canonvorming van een in nationale termen gedefinieerde literatuur: het begon allemaal in de negentiende eeuw.
De manier waarop het historisme postvatte in de publieke sfeer is beschreven in een bundel die 26 maart wordt gepresenteerd: Free Access to the Past Romanticism, Cultural Heritage and the Nation, red. Lotte Jensen, Joep Leerssen en Marita Mathijsen (BRILL). Deze bundel roept tegelijkertijd een actuele vraag op, want zoals de hedendaagse culturele debatten aantonen is de historistische visie op de samenleving sinds de Romantiek onverminderd belangrijk gebleven. Maar kunnen we de 21e eeuw tegemoet treden met een habitus van tweehonderd jaar her? Wat moeten we vandaag de dag met historisme?