In aanwezigheid van prominente schrijvers en literaire critici uit Oostenrijk discussiëren Daniele Strigl en Evelyne Polt-Heinzl, twee toonaangevende Oostenrijkse critici, met elkaar en met de aanwezigen over ‘het Oostenrijkse' van de Oostenrijkse literatuur. Zijn Elfriede Jelinek, Robert Menasse, Peter Handke en Thomas Bernhard, Arno Geiger, Daniel Kehlmann, Thomas Glavinic typisch Oostenrijks? En waaruit blijkt dat? Belichamen zij met hun werk een bijzonder aspect van de Duitstalige literatuur? Of is deze vraagstelling eigenlijk irrelevant.
Is de indruk juist dat Oostenrijkse schrijvers traditioneel kritischer naar hun eigen land kijken dan de schrijvers in andere landen, en zo ja waarom? Is het feit dat ze lekker fel kunnen mopperen een reden dat de Oostenrijkse schrijvers in het buitenland zo populair zijn?
Is de positie van de Oostenrijkse (en Zwitserse) schrijvers binnen de Duitstalige literatuur te vergelijken met bv. die van de Vlaamse schrijvers binnen de Nederlandstalige literatuur?
Deelnemers aan de discussie zijn o.a.: Robert Menasse, schrijver; Dieter Bandhauer, uitgever; Gerrit Bussink, vertaler; Gabriele Petricek, schrijfster; Wolfgang Kralicek, toneelrecensent.