Gepubliceerd op 25 mei 2010
Donderdag 24 juni 2010, 9:30 - 13:00 uur
In een reeks presentaties van 10 minuten zullen 30 sprekers in het Nederlands - een enkele keer in het Engels - hun kritische en gedetailleerde visie geven op Kants meesterwerk, waarvan het eerste deel bekend staat als de pijler van de moderne esthetica. Alle vitale topics in dit boek over schoonheid, verhevenheid, genialiteit en kunst zullen worden besproken. Het gevoel van lust en onlust, dat door Kant wordt voorgesteld als bemiddelend vermogen tussen wetmatigheid (natuur) en het bovenzinnelijke (vrijheid, god), is niet alleen in het eerste deel van de esthetica de drijvende kracht, het is ook de kern van het tweede deel van de Kritiek van het oordeelsvermogen. Dit deel over teleologie geniet in recent onderzoek weer volop aandacht. In bijdragen van hoogleraren, studenten, beeldend kunstenaars en docenten uit binnen- en buitenland zullen de bekende maar vooral ook de vele minder bekende facetten van beide delen worden belicht. Een muzikale bijdrage zal worden verzorgd door Arturo Muruzábal (cello) en Pablo Muruzábal Lamberti (electronica).
Moderator Sybrandt van Keulen - 10.00 - 10.20
Opening door dr. Sybrandt van Keulen
- 10.20 - 10.40
De twee inleidingen van de Kritiek van het oordeelsvermogen. Willem Visser (vertaler van de Kritiek van het oordeelsvermogen).
- 10.40 - 11.00
Tekortkomingen van het technische denken. dr. Kees Vuyk (Universiteit van Utrecht).
- 11.00-11.20
Belangeloos welgevallen in Deleuze's interpretatie van Kant. dr. Asja Szafraniec
- 11.20-11.40
De kracht van vrije schoonheid (§15) Sajda van der Leeuw (masterstudent, Universiteit van Amsterdam)
Moderator Ellen Algera - 12.00-12.20
De portee van het verhevene (§23-§29). Prof.dr. Renée van de Vall (Universiteit van Maastricht)
- 12.20-12.40
Kant over het mathematisch verhevene (§25 t/m §27). ir. Emanuel Rutten, MPhil (Vrije Universiteit, Amsterdam).
- 12.40-13.00
Natuurrampen en explosieve kunst: de ervaring van het sublieme als kennis van goed en kwaad bij Kant en Adorno (§29). Trixie Hölsgens (masterstudent, Universiteit van Amsterdam).
Hieronder vindt u beknopte omschrijvingen van iedere presentatie.
10.20-10.40, Willem Visser De twee basisbegrippen die Kant in de twee inleidingen introduceert zijn `reflexief oordeel' en `doelmatigheid'. In deze bijdrage zullen beide begrippen uitvoerig worden toegelicht. Een reflexief oordeel is a priori maar niet constitutief, zoals dat wel het geval is bij de oordelen van het zuivere verstand en de praktische rede. Het verstand betrekt zich op de natuur, de rede op vrijheid, en het reflecterende oordeelsvermogen betrekt zich op het gevoel van lust en onlust. Reflexieve oordelen vormen het instrument van het reflecterende oordeelsvermogen dat tussen het verstand en de rede in staat, en vormt de verbinding tussen beide. Het reflecterende oordeelsvermogen stelt zichzelf de wet, en zoekt bij al het bijzondere het algemene. Doelmatigheid is daarbij het centrale begrip, de tweede basisnotie. Doelmatigheid kan subjectief zijn, en slaat dan op de gestichte harmonie tussen verstand/rede en verbeeldingskracht, waarvan het esthetische oordeel getuigenis aflegt (mooi of verheven), of objectief, en duidt dan op de eenheid volgens een principe van meerdere empirische natuurwetten, die door het teleologische oordeel wordt uitgedrukt, dat zo hun toevalligheid noodzakelijk maakt. Met doelmatigheid als grondslag slaat het reflecterende oordeelsbegrip de brug tussen het noumenale `achter' het subject (vrijheid) en het noumenale `achter' de verschijningen der natuur (god) - de verzedelijking van de kosmos is volgens Kant het einddoel.
10.40 - 11.00, Kees Vuyk In mijn bijdrage wil ik de aandacht richten op de inleiding van 1790. De inleiding geeft niet alleen inzicht in de ogenschijnlijk wonderlijke opbouw van het boek. Immers welk verband bestaat er tussen de esthetica - de analyse van de smaak - en de teleologie - de synthese van de natuur? De inleiding geeft ook inzicht in Kants motieven om de derde kritiek te schrijven. Uit die motieven is vervolgens af te leiden waarom deze kritiek esthetica en natuurfilosofie bijeenbrengt. Kant zoekt een a priori principe voor reflexieve oordelen. Daarvoor analyseert het esthetisch oordeel. Al zijn beroemde uitspraken over de belangeloze lust en de doelmatigheid zonder doel houden verband met de gedachte dat het esthetisch oordeel berust op een a priori principe: het gevoel van lust en onlust. Dat principe, zo zal ik betogen, heeft Kant niet alleen nodig als grondslag van de esthetica, maar ook om er een natuurfilosofie op te bouwen.
11.00-11.20, Asja Szafraniec Wat is schoonheid zonder verlangen? Voor Kant is de beleving van schoonheid die we in een smaakoordeel uitdrukken volstrekt belangeloos: een beleving van welgevallen die geen aanspraak maakt op ‘het vermogen tot begeren.' Het opvallendste kenmerk ervan is dat het universeel communiceerbaar is. Wat is de grond van deze universaliteit? De noodzakelijke voorwaarde ervan is volgens Kant het vrije spel van de kenvermogens, maar dit is nog geen voldoende voorwaarde. Deleuze stelt zich niet tevreden met een transcendentale deductie en vraagt naar een transcendentale genese van de sensus communis. Kunnen we echter spreken van een belangeloze genese? Ik bespreek hier Deleuze's zoektocht naar de oorsprong van ons universele zintuig voor schoonheid. Begripsvelden rondom belang en begeerte spelen een fundamentele rol in Deleuze's denken. Hoe gaat hij in dit kader om met Kants eis van belangeloosheid? Zoals te verwachten valt, zichtbaar wordt Deleuze's eigen ‘belang' om deze genese te traceren naar Kants begrip van ‘intellectueel belang in het schone'.
11.20-11.40, Sajda van der Leeuw
In §15 beschrijft Kant hoe schoonheid geenszins gelijk moet worden gesteld aan volmaaktheid. Volmaaktheid (of perfectie) wordt vaak als synoniem gedacht met schoonheid, maar dit is enkel "onder het voorbehoud wanneer die volmaaktheid troebel wordt gedacht", aldus Kant (p. 116). Volmaaktheid is namelijk iets dat enkel tot stand kan komen wanneer men zich al van te voren het doel van een ding voorstelt - dit in tegenstelling tot schoonheid, dat immers een doelmatigheid zonder doel impliceert. Volmaaktheid moet dan ook worden gezien als afhankelijke schoonheid (pulchritudo adhaerens), terwijl zuivere schoonheid als werkelijk ‘vrij' (pulchritudo vaga) kan worden getypeerd (§16). Mijn these is dat Kant door middel van deze definitie de vrije schoonheid op twee manieren een zekere kracht weet te verlenen. Ten eerste wordt het door de loskoppeling van schoonheid en perfectie mogelijk om ook het imperfecte als schoon te ervaren. Ten tweede weet Kant aldus het schone te verbinden met een morele implicatie: vrije schoonheid kan nu als symbool van het zedelijk-goede worden beschouwd (§59). Het is deze ‘kracht' waarmee Kant de vrije schoonheid wapende, een kracht die Theodor W. Adorno later opnieuw onderkende toen hij schoonheid een ‘promise of happiness' noemde.
12.00-12.20, Renée van de Vall De esthetica van het sublieme heeft een grote rol gespeeld in de (laat) twintigste-eeuwse kunsttheorie, zeker nadat Jean-François Lyotard het begrip van het sublieme gebruikte om de 'kunst van de avant-garde' mee te karakteriseren. Voorzover het om Kants formulering van het Erhabene gaat, is het de vraag of dat probleemloos kan. Kant zelf reserveerde het verhevene uitdrukkelijk tot de aanschouwing van de natuur (hoewel hij daar ook weer niet volledig consistent in was). Daar is een goede reden voor: kunst veronderstelt altijd een zekere mate van doelmatigheid en vormgeving, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met de vormloosheid en doelloosheid die het verhevene definiëren. De vraag die we met beroep op Lyotard kunnen opwerpen is of de kunst van de avant-garde niet toch een zodanige breuk in de ervaring teweegbrengt dat ze subliem kan worden genoemd - of dat je daarmee zowel afbreuk doet aan de portee van die kunst als aan de radicaliteit van de breuk.
12.20-12.40, Emanuel Rutten In de ervaring van het mathematisch verhevene, ook wel het mathematisch sublieme genoemd, laat volgens Kant ons voorstellingsvermogen het afweten omdat zij niet in staat is een gegeven omvangrijk object als één afgeronde aanschouwing in zich op te nemen. Alleen door tussenkomst van de rede-ideeën van absolute totaliteit en oneindigheid verkrijgen wij alsnog grip op het vormloze in de aanschouwing gegevene. Zo schrijft Kant: ‘De natuur is dus verheven in de verschijningen waarvan de aanschouwing de idee van haar oneindigheid met zich meebrengt. En dat laatste kan nu uitsluitend gebeuren in het geval van de inadequaatheid van zelfs de grootste inspanning van onze verbeeldingskracht bij de schatting van de grootte van een object' (AA255/B93). In deze bespreking zullen de meest kenmerkende karakteristieken van Kants mathematisch verhevene nader besproken worden.
12.40-13.00, Trixie Hölsgens Een opmerkelijk verschil met de ervaring van schoonheid is dat verhevenheid ons een gevoel van kracht en moed geeft. Dit gevoel is een praktisch en moreel concept, en bovendien een capaciteit van de rede. Kant denkt bij deze ervaring bijvoorbeeld aan onheilspellende natuurlandschappen en aan natuurrampen. Kunnen we zo'n ervaring, die onze ‘zielskracht' (§28) verhoogt, ook met kunst hebben? Voor een antwoord op deze vraag richt ik me op Adorno. Adorno ziet het sublieme niet zozeer in de natuur, maar vooral in de kunst: juist de ervaring van ‘explosieve' kunst, kan dan ook volgens Adorno een morele uitwerking hebben. Wanneer Adorno kunst als ‘Mimesis des Naturschönen' omschrijft, doelt hij dan niet vooral op de dissonante en vrije natuurschoonheid, en dus op iets dat Kant nog wellicht subliem zou noemen?
Dit symposium is opgedeeld in een ochtend- middag en avondprogramma. U kunt zich per onderdeel aanmelden (aanmelden voor meerdere onderdelen is uiteraard mogelijk). Via onderstaande link meldt u zich aan voor het ochtendprogramma. Het symposium heeft een open karakter, dat bezoekers de gelegenheid biedt om tussen de lezingen door in en uit te lopen. Voor de garantie op een plek verzoeken wij u dan ook ruim op tijd aanwezig te zijn.
Bron: Organisatie SPUI25
|